De mooiste Bach cantate

Ik luister al mijn hele leven naar de muziek van Johann Sebastian Bach. Mijn ouders waren dol op Bach. Ik herinner mij nog levendig dat ik als klein kind met mijn ouders meeging naar de cantatediensten in de Amsterdamse Westerkerk op zondagavond. Ik vond het prachtig maar viel wel op het einde van de dienst in slaap.

Mijn ouders waren dol op muziek. Elke week kocht mijn vader platen bij Capi Lux in Amstelveen en kwam dan als een kind zo blij thuis. We hadden een prachtige stereoinstallatie waar mijn vader trots op was en iedereen gebruik van maakte.

Toen ik in mijn pubertijd kwam kon ik mijn leeftijdgenootjes niet over klassieke muziek praten. Zij hadden er geen belangstelling voor en idereen die dat wel had werd weggezet als een nerd. Het gevolg was dat ik er alleen thuis en met mijn muziekleraar over kon spreken. Het gevolg was dat ik geen enkele behoefte had om in opstand te komen tegen mijn ouders. De pubertijd verliep bij mij eigenlijk rimpelloos.

Ik studeerde in die tijd urenlang per dag op de dwarsfluit. Ik wilde graag conservatorium doen maar mijn vader was zo verstandig om mij ervan te overtuigen dat de universiteit een vriendelijker omgeving was om mij in te begeven. Daar had hij gelijk in. Ik ging met veel plezier geschiedenis studeren en na mijn kandidaats ook politieke wetenschappen.

Op de universiteit besloot ik pianoles te nemen. Als men zo laat begint wordt het natuurlijk niet veel meer maar ik heb toch veel plezier achter het klavier. Ik kreeg les van een leerling van Willem Brons en bezocht voorspeelavonden van zijn leerlingen en die van Jan Wijn. Ik heb toen, inmiddels 37 jaar geleden, menig talent mogen beluisteren die later het concertpodium hebben veroverd. Ik herinner mij Ronald Brautigam, Rian de Waal en de Jordans.

In mijn leven ben ik altijd naar Bach blijven luisteren. Op moeilijke momenten heb ik er troost in gevonden die elders niet te vinden was.

Welke cantates zijn de mooiste?

  1. de allermooiste aria is, deel 4 van cantate 115 Mache dich mein Geist bereit. Cantate 115 behoort tot Bachs tweede Leipziger jaargang en is dus een koraalcantate. Hij werd geschreven voor 4 november 1724, de 22ste zondag na Trinitatis; het kerkelijk jaar loopt ten einde, Allerzielen en -Heiligen zijn voorbij, de kerk bereidt zich voor op de laatste dingen wanneer, zoals de slotregels van het koraal grimmig aankondigen Gott wird richten und die Welt vernichten. De intieme tweede aria (4) heeft een langzaam tempo, Molto adagio zelfs. De eerste twee regels zijn een letterlijk citaat van het oorspronkelijke koraal, maar zonder melodische toespeling. De sopraan doet in lange noten de dwingende oproep bete en bitte, terwijl zij overigens deelneemt aan het transparante polyfone spel van de drie melodische stemmen die door het continuo worden begeleid. Het obligate instrument dat naast de traverso aantreedt is de violoncello piccolo. De aria is wonderschoon. Hemel en aarde smelten samen. Bete aber auch dabei
    Mitten in dem Wachen!
    Bitte bei der großen Schuld
    Deinen Richter um Geduld,
    Soll er dich von Sünden frei
    Und gereinigt machen!
  2.  prachtig is ook cantate 170 Vergnugte Ruh, Beliebte Seelenruhe. De cantate Vergnügte Ruh’, beliebte Seelenlust  (BWV 170), voor het eerst uitgevoerd op 28 juli 1726, de zesde zondag na Trinitatis, bood Bachs toehoorders, die de ontwikkeling van zijn oeuvre van week tot week hadden kunnen volgen, twee verrassingen. Nieuwe muziek, dat was al lang geen verrassing meer, maar wel twee tot dan toe in Leipzig ongehoorde innovaties in de bezettingen.
    In de eerste plaats is er geen koor en slechts één zanger, de alt, die alle aria’s en recitatieven uitvoert. Bach beschikte op dat moment blijkbaar over een getalenteerde altzanger die hij dat kon toevertrouwen, en voor wie hij met tussenpozen van zes weken nog twee vergelijkbare solocantates componeerde voor de 12e en de 18e zondag na Trinitatis, resp. BWV 35 en 169. (Een vierde, chronologisch de eerste alt-cantate, BWV 54, schreef hij in 1714 te Weimar). In het najaar van 1726 zou hij ook solocantates componeren voor zijn bas (BWV 56, 19nT), zijn tenor (BWV 55, 22nT) en zijn sopraan (BWV 52, 23nT). Wie die begaafde alt was is niet meer met zekerheid vast te stellen, wellicht was het de toenmalige student Carl Gotthelf Gerlach (1704 – 1761) die al als Thomaner had gezongen onder Bachs voorganger Kuhnau en Bach later zou opvolgen als dirigent van het Collegium Musicum.
    De tweede innovatie betreft de rol van het orgel. Die blijft in deze cantate voor het eerst niet beperkt tot die van continuoinstrument, waarvan de linkerhand de basso continuo speelt en de rechter daarboven harmonie-ondersteunende akkoorden improviseert op grond van een genoteerde becijfering. En anderzijds fungeert het orgel ook niet als concerterend instrument in een instrumentale sinfonia. Maar, in de aria’s (3) en (5), vervult het nu de rol van een ‘obligaat’ begeleidingsinstrument in een vocale compositie, waarvan de rechterhand (en in (3) zelfs bovendien de linkerhand) een voorgeschreven melodische lijn speelt, als ware het een strijk- of blaasinstrument. Die rol zal het orgel in de loop van 1726 nog vijf keer vervullen. Albert Schweitzer kon dat niet bekoren: hoe kan de meester van majestueuze polyfone preludia en fuga’s het over zijn hart verkrijgen voor het orgel zo’n ondergeschikt partijtje te schrijven, één lijntje dat door de eerste de beste blazer (of orgelleerling) gespeeld zou kunnen worden!?
    Louter bestaande uit aria’s en recitatieven is BWV 170 een perfect voorbeeld van wat destijds een ‘cantate’ werd genoemd: een, naar voorbeeld van de Italiaanse opera, uitsluitend uit vrij gedichte, ‘madrigale’ teksten opgetrokken zangstuk dat rond 1700 door de pastor en tekstdichter Erdmann Neumeister in de Lutherse kerken werd geïntroduceerd als meer subjectieve vervanging van de toenmalige, op koralen en bijbelteksten gebaseerde kerkmuziek, maar gaandeweg met die oude vormen werd vermengd tot wat wij nu ‘cantate’ noemen maar door Bach en zijn tijdgenoten werd aangeduid als Concerto, Motetto of Kirchenstück.
  3. Erg mooi is ook is cantate 162 Ach! ich sehe, itzt, da ich zur Hochzeit gehe.Aanleiding voor Bachs cantate 162 vormt de evangelielezing voor de twintigste zondag na Trinitatis (21 weken na Pinksteren) uit Matteüs 22: 1-14, waarin Jezus het koninkrijk der hemelen vergelijkt met het bruiloftsfeest van een koningszoon: vele genodigden zeggen af, en een deel dergenen die wel opdagen wordt weggestuurd omdat ze, blijkens ontbrekend bruiloftskleed, onvoldoende voor het feestmaal zijn toegerust: “velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren.” Waar de relatie tussen Christus en de ziel van de gelovige wordt gezien als die tussen bruidegom en bruid, kan de gelovige zich dus zorgen maken dat z/hij van het feest wordt geweerd (nrs 1 – 3) maar zich verheugen (4 – 6) in het besef dat het offer van Christus hem tot bruiloftskleed kan dienen.
    BWV 162, voor het eerst uitgevoerd op 25 oktober 1716, is één van de cantates die Bach reeds in de jaren 1714 – ‘17 in Weimar componeerde en later, al dan niet grondig gewijzigd, in Leipzig heruitvoerde; in dit geval op 10 oktober 1723. De cantate heeft een voor Weimar karakteristiek kleine instrumentale bezetting: strijkers, fagot en continuo plus waarschijnlijk een solo-blaasinstrument voor aria (3) waarvan de partij is verloren gegaan. (Er is ons geen partituur overgeleverd.) In Leipzig voegde Bach er een corno da tirarsi, een schuifhoorn, aan toe. Ook heeft de cantate geen openingskoor maar slechts een vierstemmig slotkoraal, wat hem in ons spraakgebruik tot een ‘solistencantate’ bestempelt hoewel dat in Bachs uitvoeringspraktijk geen betekenisvolle – het aantal uitvoerenden bepalende – onderscheiding is.

    De bas vertolkt in de openingsaria de existentiële twijfel van de gelovige die zich, op weg naar het feestmaal, quasi terloops afvraagt of zijn levenspad de toets van de gastheer zal doorstaan (bestehen). Terwijl de continuobas, meestentijds gesteund door de fagot, met regelmatige stappen gestaag naar het feest koerst, weven de strijkers met de baszanger een polyfoon netwerk waarin twee-aan-twee gebonden zestienden (zgn seufzer, zuchten) een hoofdrol spelen. Eerste en tweede viool volgen elkaar regelmatig in canon, en spelen reeds in de eerste maat een expressief motief van vijf noten (zie hiernaast) waarop de tekst Ach, ich sehe zal blijken te passen. Grillige muzikale lijnen geven uitdrukking aan het ongemak en de verwarring van de bas. Hij accentueert Wehe (m.12 en 17) met een kronkelend melisma, en Ach weh met een harde, dalende none-sprong. Ook verder maakt Bach dankbaar gebruik van de hem aangereikte beeldende begrippen en contrasten: Höllenflammen(m.28)flakkeren, Lebensbrot is levendig, Himmel en Leben liggen hoog, Hölle en Tod daarentegen laag.
    Ietwat merkwaardig klinkt de in Leipzig toegevoegde corno da tirarsi die ondanks zijn prominente timbre toch slechts begeleidende noten heeft te spelen en bijvoorbeeld geen deel heeft aan de Ach, ich sehe-thematiek van de violen die daardoor verduisterd dreigt te worden; een goede aanleiding voor Koopman om ook de Weimarer versie op te nemen.
    De aria heeft geen da-capostructuur, in verband met de laatste regel, Jesu, hilf, die tot andere muziek leidt en uiteraard niet meer door een eerdere tekst gevolgd kan worden.
    De acht tekstregels worden als volgt gegroepeerd tot vier vocale passages:

    (1-3) – (4-7) – (4-8) – 8.

    Opmerkelijk is nog de enorme ambitus (afstand tussen hoogste en laagste noot) van de bas: een volle twee octaven.

    4. Erg mooi is ook Gleich wie der Regen und Schnee vom Himmel fällt (BWV 18)

    Deze cantate is bedoeld voor de tweede zondag van de Paaskring, genoemd sexagesima, en werd vermoedelijk voor het eerst uitgevoerd op 24 juli 1715 te Weimar. Deze cantate werd omgewerkt voor Leipzig en vermoedelijk uitgevoerd op 13 februari 1724 in de Nicolaaskerk aldaar. Daarmee behoort deze cantate tot de eerste cantatejaargang.

    Deze cantate maakt deel uit van de zogenaamde Paaskring van het kerkelijk jaar. Dit omvat de periode van 50 dagen voor tot 50 dagen na Pasen. Op Pinksteren, 50 dagen na Pasen sluit deze kring en start de Zomerkring met Trinitatis met zijn 12 zondagen erna.De cantate is geschreven voor altviool en basso continuo (fagot, violoncello, violone en orgel). De latere versie werd uitgebreid met 2 blokfluiten.

    De leidraad voor deze cantate op sexagesima is de metafoor van de zaaier die zijn ideeën uitstrooit over de wereld. De regen en de sneeuw uit de hemel maken de aarde vruchtbaar en doen het zaad ontkiemen om de gewassen te laten groeien. Alzo zorgt dit voor ons “dagelijks brood” dat levenskracht biedt.

    Bachs vroege Weimarse cantate opent met een “sinfonia”, zoals gebeurde bij ongeveer een derde van zijn vroege cantates. Deze sinfonia is de meest uitgebreide met 72 maten, vormgegeven in een Italiaans concerto met duidelijk retorische bedoelingen. Bach gaat te werk zoals een redenaar ons wil overtuigen: het onderwerp aankaarten, een evaluatie met argumenten neerzetten met ten slotte een besluit formuleren. Bij het lezen van de partituur valt de symmetrische opbouw op: 20 maten voor het eerste deel, 32 maten voor het middendeel en ten slotte weer 20 maten als kopie van de aanvang. Het geheel doet bijna classicistisch aan.
    Het dramatische middendeel vormt het derde recitatief met de Lutherse litanie, waar alle partijen aan meedoen. Door de Gregoriaanse psalmodie is de algemene teneur troost en geruststelling.

    5. en dan is er cantate 104, Du Hirte Israel, höre.

    In zijn eerste jaar als Thomaskantor in Leipzig schreef Bach zijn cantate 104 voor de tweede zondag na Pasen, 23 april 1724. In de lutherse kerkelijke agenda is dit de zondag Misericordias Domini, van de barmhartigheid Gods. Dat komt o.m. tot uiting in de voorgeschreven lezing uit het evangelie van Johannes (10: 12-16), waarin Jezus zichzelf voorstelt als een goede herder die zijn schapen, de gelovigen, naar hun bestemming zal leiden. Reeds het oude testament kent de metafoor van de Goede Herder voor God die het volk Israel leidt, bijvoorbeeld in Psalm 80 (waaraan de tekst van het openingskoor is ontleend) en in Psalm 23, waarvan het slotkoraal een bewerking vormt. In de praktijk van de christelijke kerk fungeert de hunkering naar een goede herder niet als een idyllisch wegdromen maar als een protest tegen absolutistische willekeur en geperverteerde macht (Henk Gols).
    Het idee van de Goede Herder met zijn beelden van lieflijke arcadische landschappen, was een favoriet thema in 17e en 18e eeuwse schilderkunst, poëzie en opera; de muziek beschikt over karakteristieke middelen om de pastorale sfeer op te roepen: hobo’s als opvolgers van de rustieke schalmeien, lang aangehouden basnoten als imitatie van de bourdontonen van doedelzakken en verwante herdersinstrumenten, golvende triolen van parallelle drieklanken in 9/8 of 12/8 maatsoorten, eenvoudige melodieën en consonante harmonieën als verbeelding van de onschuld van volgzame schapen. Denk aan de Hirtenmusik aan het begin van het tweede deel van het Weihnachtsoratorium die Bach tien jaar later componeerde.
    BWV 104 is de eerste van drie cantates die Bach voor zondag Misericordias Domini zou schrijven, naast BWV 85, Ich bin ein guter Hirt (1725) en BWV 112, Der Herr ist mein getreuer Hirt (1731). Het is ook de meest toegankelijke en ongecompliceerde, de woorden Herde of Hirte passeren in elk deel; hij behoorde tot de eerste cantates (de latere BWVnrs 101 – 106) die in 1830 werden gepubliceerd. Maar als Maarten ‘t Hart schrijft dat hier “Van begin tot eind dezelfde pastorale sfeer” heerst, moet worden tegengeworpen dat Bach met zó weinig drama geen genoegen zou hebben genomen: in het openingskoor is de pastorale slechts het decor voor een hartstochtelijke smeekbede, in aria (3) wordt stevig getwijfeld.Als ik meer tijd heb zal ik nog meer over de mooiste cantates schrijven.